Korte samenvatting
Dit artikel verkent waarom “spiritualiteit” de laatste jaren opduikt als vermeende oplossing voor wantrouwen, schandalen en een gewenste mentaliteitsomslag in bestuurskamers—en waarom dat tegelijk snel kan doorschieten naar zweverigheid of marketing. De auteurs laten zien dat het begrip spiritualiteit in organisaties vaak vaag en breed is, waardoor er ruimte ontstaat voor zowel waardevolle benaderingen als dure “spirituele” beunhazerij. Ze pleiten ervoor om helder te maken welke doelen men eigenlijk nastreeft (bijv. zingeving, welzijn, duurzaamheid, betere samenwerking) en waarschuwen dat het instrumenteel inzetten van spiritualiteit zonder begrip van context betekenisverlies en schijnoplossingen kan opleveren.
Vervolgens beschrijven ze hoe verschillende populaire concepten—zoals mindfulness, presence en flow—oorspronkelijk wortels hebben in (met name) oosterse filosofieën, maar in het Westen vaak zijn “gestript” en in een functioneel jasje gestoken: toepasbaar voor stressreductie, leiderschapsontwikkeling of prestaties. Het artikel erkent dat sommige interventies (zoals mindfulness) aantoonbare effecten kunnen hebben, maar stelt ook de kritische vraag wat er overblijft van de oorspronkelijke spirituele inhoud wanneer technieken worden losgemaakt van hun culturele en historische betekenis. De centrale paradox: kan iets dat in veel tradities juist het ego relativeert, worden ingezet voor ego-gedreven organisatiedoelen—en wat betekent dat voor bestuurders die hier serieus mee aan de slag willen?

